Geschiedenis van Oldenzaal

Oldenzaal is heel oud. Rond 700 was er al een burcht, omgeven door een wal. In geschreven bronnen uit de negende eeuw komen we de naam Oldenzaal tegen, soms iets anders geschreven. Een van de benamingen voor de stad is Altisalja. Dit woord kan verwijzen naar het Germaanse ‘salja’, wat eenvoudig hof betekent. Maar misschien verwijst het wel naar de Frankische Saliërs. Dat zou betekenen dat de Oldenzalers van oorsprong geen Saksen zijn, zoals de rest van hun omgeving.

Zo’n 750 jaar geleden kreeg Oldenzaal stadsrechten. Het exacte jaartal weten we helaas niet. Het document waarin dit is vastgelegd, is door branden en plunderingen verloren gegaan. Er is wel nog een oorkonde uit 1296, waarin een Utrechtse bisschop verklaart dat zijn voorganger Otto stadsrechten heeft geschonken aan Oldenzaal. Vanaf dat moment mocht Oldenzaal zich officieel een stad noemen.

Tweehonderd jaar daarvoor, op 11 juli 1049, gaf keizer Hendrik III de stad al marktrechten. Dat deed hij met de volgende woorden:

“Ik verleen de plaats Oldensale in het land van Twent verlof en macht, eenmaal in de week, alle woensdagen, het ganse jaar door, een markt te houden. En op 21 oktober, zijnde het Wijfeest der kerk, een jaarmarkt te houden, met dien verstande, dat die jaarmarkt twee dagen voor het Wijfeest zal beginnen en twee dagen erna zal duren."

Het beeld van onze stad werd al heel vroeg bepaald door een kerk. Halverwege de 10e eeuw stond er al een stenen kerk, waarvoor Bisschop Balderik speciaal Sint Plechelmus uit het verre Limburg haalde. Ook nu nog staat er een kerk, de markante Plechelmusbasiliek. Uiteraard vernoemd naar de beschermheilige van de stad.

De invloed van de rooms-katholieke kerk was altijd groot in Oldenzaal. De meerderheid van de bevolking is katholiek. De stad heeft zijn vrolijke karakter ongetwijfeld aan de invloed van het rijke roomse leven te danken.

In de late Middeleeuwen raakte Oldenzaal door grote stadsbranden en plunderingen in verval. Gelderse soldatenbendes, het leger van de prins van Oranje en de manschappen van 'Bommen Beernd', de bisschop van Münster, het waren allemaal plagen voor de stad. Toen de Hollandse steden opbloeiden en de Hanze in verval raakte, was Oldenzaal alleen nog een klein vriendelijk stadje aan de grens met Duitsland. In deze roerige periode zijn helaas veel waardevolle archieven verloren gegaan.

In 1811 werden het stadgericht en het richterambt Oldenzaal opgedeeld in de gemeenten Losser, Oldenzaal en Weerselo. In 1876 verwierf Oldenzaal een klein stukje Losser, waar het spoorwegstation van Oldenzaal in lag. Tegenwoordig bestaat Oldenzaal uit het stadsgebied Oldenzaal en de marke Berghuizen. Deze marke behoorde van 1818 tot 1955 tot de gemeente Losser.

Net als in andere Twentse plaatsen, werd textiel het belangrijkste handelswaar. De industrie bloeide, maar de arbeiders bleven arm. Dat heeft invloed gehad op het beeld van het huidige Oldenzaal. Het is nog steeds een stad van weinig rijkdom. De textielindustrie is inmiddels verdwenen, maar er zijn diverse bedrijfstakken en een sterke transportsector voor teruggekomen.

Toerisme wordt steeds belangrijker. Ook Oldenzaal - gelegen in een streek met prachtige natuur - profiteert hiervan. Daarnaast is de stad een belangrijke vestigingsplaats geworden voor transportcentra. Dat komt omdat Oldenzaal heel gunstig ligt op de weg naar Noord- en Oost-Europa. Niet voor niks liggen industriegebieden Hanzepoort en Hazewinkel aan de A1, een belangrijke verkeersader van de Randstad naar Duitsland. Oldenzaal is nu een modern centrum van bedrijvigheid op een strategische plek in West-Europa.

Bekijk de geschiedenis van Oldenzaal in de regiocanon.